Logic of nature
PRE-PREGNANT Een 100% voedingssupplement helpt het lichaam de kinderwens te realiseren
Kunnen voedingssupplementen vruchtbaarheidsproblemen verhelpen?

Bepaalde voedingssupplementen zouden eicellen en zaadcellen gezonder maken en een aantal vruchtbaarheidsproblemen verhelpen. Dat suggereert althans onderzoek van de Gentse endocrinoloog Frank Comhaire dat verscheen in het vakblad Andrologia. Samen met dokter Wim Decleer (fertiliteitscentrum, Palfijn ziekenhuis Gent) stelde hij de resultaten vorige week voor.

 

Diepgaand onderzoek heeft volgens de Gentse experts aangetoond dat bepaalde ziektes en milieufactoren maar ook onaangepaste voedings- en levensgewoonten belangrijke veranderingen kunnen teweegbrengen in de samenstelling van de celmembraan van de zaad- en eicellen. Deze veranderingen kunnen het bevruchtingsproces in het gedrang brengen. Ook stelden de onderzoekers bij infertiele mannen een verhoogde belasting met giftige zuurstofradicalen vast, die het erfelijke materiaal in de geslachtscellen aantast en de energieproductie in de zaadcellen vermindert, met een verminderde beweeglijkheid van de zaadcellen als resultaat.

“Ons onderzoek heeft aangetoond dat deze effecten niet alleen de kans op bevruchting verminderen, ook bij ivf/icsi, maar ook het risico op miskraam, vroeggeboorte, of aangeboren afwijkingen vergroten”, aldus Prof. Comhaire.


Afwijkingen corrigeren
Volgens de Gentse endocrinoloog kan de inname van een zorgvuldig samengesteld voedingssupplement helpen om afwijkingen aan ei- en zaadcellen te corrigeren. Bij mannen zou de toediening van het voedingssupplement, samen met lijnzaadolie, de beweeglijkheid, het aantal en de kwaliteit van de zaadcellen verbeteren en de kans op bevruchting verhogen. Bij vrouwen zou de combinatie met visolie de fertiliteit en de kans op een succesvolle behandeling met ivf/icsi verhogen.


Van ‘net niet’ naar ‘net wel’
“Sperma-analyses voor en na toediening van het supplement tonen een verbetering met een factor 2,6”, legt Wim Decleer uit. “Bij mannen met extreem zwakke zaadcellen, bijvoorbeeld 40.000 in plaats van 40 miljoen exemplaren, is dat natuurlijk een druppel op een hete plaat”, geeft Decleer toe. “Maar in heel wat andere gevallen brengt het ons van het niveau van ‘net niet’ naar een niveau van ‘net wel’. Bij mannen met een lichte stoornis, waar we normaal gezien met inseminatie zouden werken, kan die behandeling dankzij het supplement overbodig worden. Zo ook is er een groep waarbij we van het niveau van ivf naar het niveau van inseminatie kunnen stijgen en een groep bij wie icsi overbodig wordt en ivf kan volstaan.”

De behandeling laat dus toe om een aantal mensen op een minder invasieve manier te behandelen. “Voorts stellen we vast dat de succesrate van de vruchtbaarheidstherapie in zijn geheel met 5% toeneemt”, aldus nog Decleer. “Onze bevindingen zijn gebaseerd op de gegevens van een 1.000-tal patiënten die we intussen op die manier hebben behandeld.”


Volstaat gezonde voeding niet?
Hebben supplementen echt een meerwaarde boven een gezonde en gevarieerde voeding in deze jonge, gezonde populatie? “Je mag niet vergeten dat een zesde van alle koppels vruchtbaarheidsproblemen heeft en dat die voor een deel te maken hebben met onze attitudes, zoals uitstel van kinderwens”, benadrukt Wim Decleer. “We zien heel wat dertigers en jonge veertigers. Ondanks een gezonde leefstijl is de kans op bepaalde problemen zoals myomen, endometriose,… bij vrouwen op die leeftijd een stuk groter dan bij twintigers. Als we dan met een onschuldig product dat in hoofdzaak anti-oxidatief werkt oorzakelijk iets kunnen doen, en hierdoor een meer invasieve therapie kunnen vermijden, is dat toch mooi meegenomen”, legt Wim Decleer uit. “De beste ivf-poging blijft overigens diegene die je niet moet doen”, beklemtoont de Gentse fertiliteitsdeskundige.


Internationaal niveau
Het onderzoek met voedingssupplementen om de eicel- en zaadcelkwaliteit te optimaliseren, gebeurt niet uitsluitend in Gent. “Momenteel loopt er in verschillende landen een prospectieve gerandomiseerde studie om de effecten nog beter in kaart te brengen”, besluit Decleer.

Andrologia 2010;42:331-40


Bron: Artsenkrant nr. 2117 – 09.11.2010


Stel je vraag